Het Lechtal ligt in de deelstaat Tirol in het westen van Oostenrijk. Oostenrijk wordt omringd door acht andere landen: Duitsland, Tsjechië, Slovakije, Hongarije, Slovenië, Italië, Zwitserland en Liechtenstein.
Op de kaart
hieronder is Tirol rood ingekleurd.

In het noordwesten van Tirol ligt het Lechtal. Het
Lechtal is 60 km lang en is daardoor één van de langste dalen in Tirol.
Het behoort samen met het
district Reutte, het Tannheimertal en het Ehrwalder Becken tot de
Ausserfern. De Lechtaler Alpen,
in het zuiden, grenzen dit dunbevolkte gebied af van het
Inntal.
Het Lechtal kan landschappelijk het best omschreven worden als de voormalige bedding van een gigantische ijstijdgletscher. De dalbodem verloopt van smal tot vrij breed en ligt tussen kalkmassieven in die er zo'n 1000 tot 1500 meter bovenuit stijgen. De Lech, die in de Formarinsee ontspringt en na 285 km in de Donau in Duitsland uitmondt, is de rivier waaraan het dal zijn naam te danken heeft. In zijn bovenloop is de Lech één van de weinige grillige, ongetemde bergstromen die er nog resten. Na dooi of regen zwelt de rustige stroom aan tot een ziedende watermassa die de grindbedding overspoelt en buiten zijn oevers treedt. Aan beide oevers rijzen de bosrijke en grazige hellingen steil op. De bergtoppen reiken tot boven de boomgrens en bestaan meest uit lichtgrijze harde dolomietische kalk ('Hauptdolomit'). Op de grens met Beieren liggen de Allgäuer Alpen met als hoogste top de Grosser Krottenkopf (2657 m). Aan de andere zijde van de Lech zien we de Lechtaler Alpen met als hoogste top de Parseierspitze (3036 m). De Lechtaler Alpen vormen een langgerekte keten tussen de Lech en de Inn.
Tussen de uitlopers van de bergen door stromen talrijke zijriviertjes naar het hoofddal, vaak uitmondend via smalle kloven. Vanuit de Allgäuer Alpen komen de beken via het Hohenbachtal, Bernhardstal, Hornbachtal en Schwarzwassertal naar de Lech gestroomd. Vanuit de Lechtaler Alpen zijn dit het Krabachtal, Kaisertal, Sulzltal, Madautal, Gramaistal, Bschlaber Tal, Namloser Tal en Rotlechtal. Al deze zijbekken hebben in de loop der tijden heel wat steengruis ('Lechgries') gedeponeerd in het hoofddal en opgehoopt tot lichtgewelfde puinwaaiers, doorgaans de beste plaatsen voor huizenbouw.
De eerste
vaste nederzettingen in het Boven-Lechtal dateren ongeveer van het jaar
1000 (Elbigenalp). Het is bevolkt
geraakt vanuit het Tannberggebied in Vorarlberg. De bouwstijl wijst op een
duidelijke verwantschap tussen beide streken, nl. woonhuis en stal los van
elkaar en het woonhuis uit hout opgetrokken.
De rest van het dal heeft een ander karakter en de bouwstijl is meer verwant
met die van de omgeving van Innsbruck in het Mittlere Inntal, nl. woonhuis
en stal onder één dak en het woonhuis in steen.
Vooral in de 18de en 19de eeuw verlieten veel handwerkslieden het geïsoleerde Lechtal om in het buitenland werk te vinden als metselaar of stukadoor. Daarnaast waren er de minder fortuinlijke 'Schwabenkinder' die vooral in de naburige, rijke Allgäu als veehoeder gingen werken.
De zijdalen
van de Lech geven toegang tot een zeer gevarieerd bergland, bijzonder rijk
aan natuur. In de Middeleeuwen
was hier nog geen permanente bewoning maar werd er wel al vee gehouden.
Vanaf de 16de eeuw zijn er in
de zijdalen 'Schwaighöfe' gebouwd, de eerste permanente boerderijen die
deels nog authentiek zijn. Karakteristieke boerderijen vinden we vooral in
de zijdalen Madautal, Gramaistal, Bschlaber Tal, Namloser Tal en Rotlechtal.
Het is nu nog steeds een dunbevolkt
gebied, nauwelijks door wegen doorsneden en ideaal voor meerdaagse
huttentochten.
Bron: Tirol/Vorarlberg,
ANWB Goud